De invoering van een nieuwigheid. Dat is hoe het woordenboek innovatie omschrijft. Een bijna ontluisterend nuchtere omschrijving van een beladen begrip. Want innovatie is immers het toverwoord dat ons door de energie transitie heen gaat helpen, ons klaar moet stomen voor de digitale samenleving, sociale innovaties moeten ons voorbereiden op de vergrijzing en op slimme robots die de werkvloer gaan bevolken. Dat is andere koek dan gewoon een nieuwigheid invoeren. Innovatie is belangrijk en daar moeten we dus niet te licht over denken. Bovendien moet er veel geld voor worden vrijgemaakt, is de heersende gedachte.

Eerlijk is eerlijk: dat dacht ik eerst ook. Tot ik me echt ging verdiepen in het fenomeen innovatie. Ik kwam er achter dat de bedrijven die het meest innovatief zijn, lang niet altijd het meeste geld investeren in vernieuwing. Ik wam er ook achter dat bedrijven met een ‘afdeling innovatie’, vaak juist innovaties in de rest van het bedrijf tegenhouden. Innovatie is, net als service, namelijk geen afdeling, maar een mentaliteit. En ik heb ontdekt dat de meest onderschatte vorm van innovatie misschien wel een cultuur van voortdurende verbetering is, waarbij je niet steeds het wiel opnieuw uitvindt, maar juist inzet op perfectioneren en doorontwikkelen.

Toch is innovatie bovenal mensenwerk. En dat begint bij mensen die de ruimte voelen om te experimenteren en verantwoordelijkheid te nemen, ook als er een keer iets mis gaat. Het kenmerk van de meest succesvolle, vernieuwende organisaties is dat ze in staat zijn om voortdurend van ieder experiment te leren en ideeën van de werkvloer razendsnel te omarmen. Het vermogen om iedereen, ongeacht zijn functie of rol, een steentje te laten bijdagen, onderscheidt de echt innovatieve koplopers van de mindere goden.

Onze taak bij de Cleantech Regio is het herkennen en begeleiden van innovaties, om deze ten goede te laten komen aan de samenleving en de economie. De grootste fout die we dus kunnen maken is proberen ‘een afdeling innovatie’ te zijn. Sinds afgelopen zomer besteden we daarom extra veel aandacht aan het betrekken van ondernemers en betrokkenen van onderwijsinstellingen en overheden bij de toekomst van de regio. De input die we van hen krijgen is niet verrassend maar wel eensluidend: “Ga nou eens niet te veel nieuwe dingen te doen, maar maak gebruik van al het moois wat er al is in de regio.”

Vanuit deze gedachte ben ik lid geworden van de agro-innovatieraad: een groep innovatieve koplopers op het gebied van landbouw, veeteelt en voedsel productie. Ik heb zelden met zo’n inspirerende en leerzame groep mensen samengewerkt. Uit alle contacten die wij dagelijks met onze bewoners, bestuurders en ondernemers hebben, blijkt dat bijna iedereen het behoud van het schitterende landschap in onze regio het belangrijkste vindt. Dit landschap is voor een groot deel gecreëerd door de agrarische sector. En laat die sector nou een belangrijk deel van de oplossing in handen hebben voor de natuurlijke opslag van CO2, het stikstof probleem, korte voedselketens of ons watermanagement: het veel slimmer, op meer natuurlijke wijze benutten van de bodem. De kennis is er al, de techniek bestaat ook en er is een gezonde businesscase mogelijk.

Het klinkt me als muziek in de oren. Want ook dit voorbeeld bewijst weer eens dat de mensen met de slimme oplossingen er al zijn, juist in onze regio. We hoeven de nieuwigheden alleen nog maar in te voeren.

Meer columns lezen van Arko van Brakel?

De steen der wijzen 

In de fik staan voor je droom

Vakmensen opleiden met dezelfde bevlogenheid als Vrienden van Amstel Live

Een witte kerst in 2048?